Voertuigen

Rijden met een gehandicaptenvoertuig

Font Size

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen zowel binnen als buiten de bebouwde kom het trottoir, het voetpad, het fietspad of de rijbaan gebruiken.

Als zij van het trottoir of voetpad gebruik maken of van het ene naar het andere trottoir/voetpad oversteken, moeten zij de regels van voetgangers volgen.

Als zij gebruik maken van het fietspad of op de rijbaan gelden voor hen de regels van fietsers.

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig moeten de nodige voorzichtigheid in acht nemen met zich op de weg bevindende voetgangers.

Bestuurders (dus ook fietsers en bromfietsers) moeten bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) oversteken of kennelijk op het punt staan om over te steken, voor laten gaan.

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig vormen een afzonderlijke categorie weggebruikers.

De verkeerswetgeving kent het begrip “gehandicaptenvoertuig”. Een voertuig welke isingericht voor het vervoer van een gehandicapte mag niet breder zijn dan 1,10 m en wel of niet voorzien van een motor snelheid niet sneller dan 45 km/h en het mag geen bromfiets zijn.

Gehandicaptenvoertuig: rolstoel, scootmobiel, 45 km gehandicaptenvoertuig (geen brommobiel)

Op plaatsen waar een parkeerverbod geldt, zoals: bord parkeerverbod, langs een gele onderbroken streep, in een woonerf (erf) buiten de parkeervakken, mag men met een gehandicaptenparkeerkaart gewoon parkeren voor de duur van maximaal drie uur. De begintijd moet worden aangegeven met een parkeerschijf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *